*


Frits Noellgen. Zelden heb ik een fanatiekere voetballer gezien. Met zijn ongeschoren kop, staalblauwe ogen en matje was hij het prototype van de voetballer uit de jaren tachtig en negentig. Het begon al op de eerste training van het seizoen, vloekend en tierend begeleidde hij acties van zichzelf en van ons. Hij was teruggekomen na een periode in Duitsland, waar hij een bak geld had opgehaald bij een oberliga-club, Teveren of zo. Daarvoor had hij een paar succesvolle jaren gekend in het eerste van Roda. Maar hij was in Duitsland gekapt en kwam meetrainen.

Ik was negentien, het werd mijn eerste seizoen in het tweede. Ik wist van niks, ik voetbalde zonder na te denken, ik deed maar wat, daar kwam het eigenlijk op neer. Mijn positie in het veld liet dat ook toe, als rechtsbuiten stond ik aan de lijn geplakt en was meestal met mijn hoofd ver weg, niet in de buurt van een voetbalveld tenminste. Meeverdedigen kwam niet in me op, met een paar onverwachte acties en redelijke voorzetten wist ik me nog te handhaven. Noellgen moest daar niks van hebben, verbaal zette hij me keer op keer niet onzacht op mijn plaats. Hij was de onbetwiste leider. Ook in het kleedlokaal had hij het hoogste woord. Verhalen onder de douche over vrouwen. Verhalen over de hotels in Rusland waar Roda moest spelen voor de Uefa-cup, dat hij op een kamer lag met Gene Hanssen, maar hem niet binnenliet toen hij een Russich hoertje stevig van achter aan het nemen was, daarbij de bewegingen zeer plastisch reproducerend. Hij werkte in de bouw, ergens in Herzogenrath, net over de grens niet ver van Kerkrade. Daar had hij iemand flink op zijn gezicht geslagen toen die een stalen pijp naar beneden liet vallen, vlak voor zijn voeten, vertelde ie, daarbij met zijn vuist op de tegelwand van de douche rammend. Die kerel zat vol agressie, ruzie moest je met hem zeker niet krijgen.

Ik was het fanatisme kwijt, ik speelde mijn eigen wedstrijdjes; mannetje passeren, voorzet geven en daar bleef het meestal bij, dat de jongens die van het eerste terugvielen niet geweldig gemotiveerd waren, werkte ook niet echt stimulerend. Bij het eerste was Reker vertrokken en Adri Koster gekomen. Reker had me gehaald, hij had het in me zien zitten. Andere hoofdtrainer, andere visie. Niet dat het eerste voor mij in zicht was overigens.

Mijn maatje werd Leon, die in Maastricht studeerde. Samen reisden we per trein van Maastricht naar Heerlen om daar de 51 naar Kerkrade te nemen. Hij was linksbuiten ik rechtsbuiten, hij was feller dan ik. In het veld oogde ik wat sloom alsof het een beetje langs me heen ging, tenminste dat zei de trainer tegen me. Toch had ik ook wel aardige wedstrijden, maar de regelmaat was ver te zoeken. Het lekkerst waren eigenlijk de zaterdagtrainingen, ik hoefde me dan tenminste niet te haasten om op tijd te komen, de groep was dan meestal klein en het afwerken op doel vaste prik, we noemden het "de koffiemolen" ; vanaf de middenlijn een lange pass naar de zijkant geven, doorlopen en de voorzet afronden, heerlijke oefening.

Haasten moest ik me altijd. Op dinsdag bij uitwedstrijden ging ik eerder weg uit de les- die stelde toch niets voor, ik vraag me af waarom ik eigenlijk nog ging - ik nam op de markt bus 61, die altijd in de file terechtkwam, waardoor ik met buikkrampen van ergernis bij Neerbeek uit de bus rolde en moest rennen naar de snelweg waar de spelersbus me zou oppikken. In de bus moest ik het trainingspak van de club aan, want mijn kunstenaarskloffie compleet met gescheurde spijkerbroek kon niet. Meestal probeerde ik in de bus wat te lezen, maar het was onbegonnen werk om door Lyotard heen tekomen tussen de kaart-tafeltjes en de film met Jean-Claude van Damme in. Of we nou verloren of wonnen; de busreis terug had altijd iets moois. De wedstrijd ging door je heen, als je goed gespeeld had was het natuurlijk helemaal lekker, maar dat hoefde niet eens, er hing altijd een rustige stemming een soort zone van acceptatie, van berusting en bezinning, blikjes bier, napraten over de fouten, geintjes maken over de goals, beetje bijelkaar hangen, of alleen naarbuiten staren, naar het donkere landschap dat langsschoot.


(volgende bladzijde)