17 juni
Ik steek mijn kop buiten de stal. De koude wind slaat als een moker in mijn gezicht, het meer waaraan de stal staat is bruin, er is een zandstorm aan de gang. Het is gekkenwerk hier doorheen te gaan lopen. Toch doen we het. Ingepakt en met de zonnebrillen op lopen we achterelkaar om en om voorop, zodat je niet constant tegen de storm in moet beuken. Het zand dringt ondanks de bril door tot in de ogen, het gezicht wordt gezandstraalt, we buigen ons tegen de poolwind en ploeteren.
Na twee uur vechten tegen de storm, komen we bij een hut, we zijn afgemat. In de hut bekijken we de kaart, we hebben zes of zeven kilometer afgelegd, maar het voelt aan als dertig of veertig. De nooit afnemende wind heeft ons gegeseld en murw geramd. Ik opper in de hut te blijven tot morgen, het is de absolute waanzin om door dit weer nog verder te lopen, Charles kan niet anders dan instemmen.
Het voelt aan als een aderlating, de rust na de beukende wind. We proberen warm te worden in de slaapzakken, ik maak schetsen van de gletsjer waarvan een tong uitmondt in het meer. Het gebied dat we moeten doorkruisen is een vlakte ingeklemd tussen twee gletsjers, de Hofsjokull en de grotere en langere Langjokull. In de hut ligt een kaart van het gebied met daarop een route voor paarden die vlak langs de Langjokull loopt. We zijn blij een alternatief voor de slopende en eindeloze autobaan te zien en besluiten die route morgen te volgen. We gaan slapen om het warm te krijgen en weer fit te zijn voor morgen, de storm zal dan zeker nog niet geluwd zijn. "Nee daar ga je niet heen, daar is toch niks te zien joh," het is gek maar dit maffe motto zorgt ervoor dat we de moed erin houden. Toch zal ik blij zijn dat wanneer we de ringweg bereikt hebben en het gepompel afgelopen is. Dat afzien en jezelf slopen is lang niet meer zo leuk.
(foto)
(18 juni)