16 juni
"Come along, come along, come along with me... make a statement strike a pose" Ook dit MTV-hitje zit in onze koppen gebeiteld. We wachten op de bus die ons naar Gullfoss zal brengen, tijdens het eten van een sandwich zien we een bus hard voortbijrazen, onze bus denken we en vervloeken de chauffeur.
Kwaad gaan we lopen richting Gullfoss, ondertussen onze duimen omhoog stekend om een lift te versieren. Niemand is echt happig. We lopen over het zwarte asfalt tot uiteindelijk een bus voor ons stopt. Tot onze verbazing is het de dodemanschauffeur van gisteren, hij zegt geen woord tot hij ons bij de waterval Gullfoss eruitgooit.
Gullfoss is een gigantische waterval met de bijbehorende toeristenvoorzieningen. Busladingen worden gedropt, fotograferen de watermassa en stappen weer in de warme bus. Wij kijken kort naar de waterval, dit is niet het echte werk, dat is voor ons duidelijk, zo snel mogelijk willen we hier weg om weer te worden opgenomen door het desolate landschap. Het stuk met de bus is eigenlijk verraad aan de route, we zouden lopen van zuid naar noord. Hoe dan ook. Maar dat hoe dan ook zit minder in mij gebakken als in Charles. Beetje lopen vind ik wel leuk, veel lopen ook, maar niet koste wat kost, ik ga me niet doodlopen. Dat is het verschil met de tochten die ik een paar jaar geleden in mijn eentje maakte. Toen was ik nog gek genoeg, nu hoeft het allemaal niet meer zo nodig. Het fysieke fanatisme sijpelt langzaam uit mijn lichaam weg, we worden ouder.. maar kom, ik ga hier niet zeiken. We zijn jonge kerels, vol energie; een paar meter lopen kan geen kwaad.
We staan klaar om te beginnen aan de tweede etappe, als een lange man kwiek op ons afstapt. Tot onze verbazing begint hij in een homo-achtig Hollands tegen ons aan te lullen. Hij vraagt wat waar we heen gaan. Als hij verneemt wat ons doel is, reageert hij: "Nee dat ga je toch niet doen, daar je toch niet heen, daar is toch niks te zien, joh!" We moeten lachen, de man is wel grappig. Hij rijdt met zijn gehuurde autootje de ringweg rond en vertelt ons daar wat bijzonderheden over. "Hoeveel kilometer lopen jullie nou per dag, 50?" We liggen dubbel, deze man roept allerlei dingen die ik in iedere andere situatie behoorlijk irritant zou vinden, maar nu is het buitengewoon lollig. Het is toch al raar om hier deze maffe Hollander te ontmoeten. "Nou, ik vind het geweldig."
Lachend gaan we op weg, het "nee, daar je toch niet heen, daar is toch niks te zien" galmt nog na in onze koppen. Zelden heb ik een Hollander zo grappig gevonden, de one-liner zal tot aan noord-IJsland ons nieuwe motto zijn. Steeds als we in een moeilijke situatie zitten, gooien we die zin ertegen aan, met het beeld van de homo op onze netvliezen, zo zouden we het zelfs tot aan de Noordpool kunnen volhouden.
De weg is stoffig en lang. Jeeps passeren en de mensen groeten ons, twee gekken die het stuk door de woestenij te voet af leggen. Een wagen stopt, een IJslander vraagt waar naar toe gaan en biedt ons een lift aan, zijn vrouw zit achter het stuur van de afgeragde 4X4. Ze waarschuwen ons voor het slechte weer en de harde wind die op komst zijn, de wind zal tot de dertig meter per seconde vanuit het noorden gaan waaien. We rijden een klein stuk met ze mee en beseffen niet wat het betekent die dertig meter per seconde. Ze slaan links af, wij gaan rechtdoor.
Het landschap is weinig boeiend, een vlakte van stof, lava en steen. In de verte een berg waar we omheen moeten, geen gunstige vooruitzichten. Het lopen op een weg die voor jeeps bestemd is blijkt zoals ik al vreesde niet de meest motiverende manier van voortbewegen te zijn. We zien jeeps verdwijnen aan de horizon in een paar minuten hebben ze afstanden afgelegd waar wij uren over doen.
Onder een brug pauzeren we en repareer ik wat opkomende blaren. Dit is het niet, denk ik, "dit is het niet," zeg ik. Maar we gaan door. Omhoog de berg op. Boven stopt een jeep naast me, de man biedt ons een lift aan naar Hrevavellir, ik kijk even naar Charles die achterop loopt, ik overweeg sterk om in de comfortabele jeep te stappen, maar moet de man toch bedanken, met in het achterhoofd de afspraak van zuid naar noord te voet en de voldoening die des te groter zal zijn bij het eindpunt. We ploeteren verder, jeeps komen ons tegemoet en passeren. Het begint te regenen. In de verte zien we de hut liggen die ons doel vormt van vandaag. De afdaling er naartoe duurt oneindig lang, dat maakt je kapot; je denkt dat je bijna in de veilige haven bent maar ondertussen duurt het uren voordat je er werkelijk bent. Twee crossmotors jakkeren door de heuvels. De wind komt opzetten, de regen slaat in onze gezichten. Eindelijk zijn we bij de hut. Een teleurstelling staat ons te wachten; een dik slot sluit de boel af. Charles probeert de deur nog te forceren met een forse steen, na een poosje agressief rammen is het slot gesloopt maar de deur niet open. We besluiten naar de paardestal verderop te gaan en daarin de tent op te zetten. In de paardestront maar uit de wind. Uitgeput eten we onze Knorrmaaltijd en drinken thee. Buiten giert de wind nu, het stormt, we mogen blij zijn dat tenminste deze stal er nog staat, want onder deze omstandigheden buiten de tent opzetten was geen prettige bezigheid geweest.
(foto)
(17 juni)