14 juni
Vandaag staat ons een fikse beklimming te wachten. Het is vochtig, de wolken hangen laag er zit veel zuurstof in de lucht. We steken een riviertje over en het klimmen begint. Ik klim graag, mijn lichaam lijkt erop gebouwd; licht, tenger en pezig. Charles heeft er meer problemen mee, hij is zwaarder gebouwd, maar worstelt zich op karakter naar boven. op de hellingen liggen stenen met de vreemdste kleuren, van glasachtig zwart, felgroen, rood, cadmiumgeel tot krakend wit. Boven wacht ons een adembenemend uitzicht, in de diepte het meer, versluiert door de laaghangende wolken, in de verte bergen bedekt met sneeuw en de gletsjers, een rivier slingert zich een weg door het dal.
Ik zit op een rots en wacht tot Charles boven is. Dampend loopt die door naar een nog fantastischerpanorama; lichtgeel gekleurde bergen, met sneeuwvelden en dampende warmwaterbronnen! De geur van rotte eieren stroomt onze kant op, het is de zwavel, het is een sprookjesland. De aarde borrelt en dampt, en brengt kleuren naar boven die ik nog nooit gezien heb. Voor het eerst besef ik dat IJsland op een vulkanische breuklijn ligt, je wist het wel, maar je denkt er niet bij na tot je de hitte van diep uit de aarde aan de oppervlakte ziet komen. We vergapen ons aan de bronnen en vragen ons af of het niet schadelijk is te lang in die dampen rond te lopen, het ruikt in ieder geval niet zo gunstig, alsof je boven de schoorsteen van de SO3-fabriek op DSM gaat hangen.
Hier komt alles bijelkaar; een naar beneden stortende waterval, het ijs, de sneeuwvelden, de dampende bronnen, de gekleurde gesteenten en wij die daar zomaar doorheenlopen. Langzaam begint het te regenen, we komen langs de beroemde gekleurde bergen, die we van foto‘s kennen. In de grijze regen zijn de kleuren niet zo spetterend, maar toch nog indrukwekkend genoeg. Onder de sneeuwvelden hebben warme riviertjes lange manshoge tunnels gevormd. Af en toe zakt een been tot aan de lies weg in de zachte sneeuw.
In de verte zien we mensen lopen, hun tempo ligt beduidend lager dan het onze, het duurt niet lang of we hebben ze ingehaald, het blijken dezelfde mensen te zijn die we de eerste nacht in de hut de stuipen op het lijf hebben gejaagd. In een hut praten we even met ze, vooral Charles heeft altijd zin om te praten, hij is daar goed in; in ouwehoeren met iedereen over vanalles en nog wat, ik ben niet zo‘n prater. Het zijn sympathieke mensen, ze komen uit Tsjechie, het meisje heeft last van haar enkels, waardoor ze niet zo snel vooruit komen. Ze vertrekken ‘s ochtends altijd heel vroeg, dit in tegenstelling tot wij die pas rond twaalf uur echt op weg zijn, dit verklaart waarom we ze nu pas inhalen.
Ook komt er een echte IJslandse jongen de hut binnen, type Viking. Dampend en zwijgzaam eet hij zijn boterhammen, hij komt van Landmannalaugar waar wij zometeen ook naartoe zullen afdalen.
Na opgedroogd en uitgerust te zijn, vertrekken we, het regent niet meer, door een enorme sneeuwvlakte gaat het. Een tijd lang zien we niets anders dan de witte sneeuw en de grijze lucht. De sneeuw is nat, iedere pas kost moeite omdat je steeds weer tot halverwege het scheenbeen wegzakt. Weer passeren we een dampend bronnengebied, dit keer is er een plas ontstaan, het water is over de honderd graden, je zou er in verbranden als een kreeft die gekookt wordt. Het water is tropisch blauw, omgeven met andere onmogelijke kleuren, Charles zakt weg in een bron, zijn schoen is veranderd in een grijze cementklomp. Verderop ontspringen de hete bronnen in een rivier, het water kolkt met geweld tegen de rotsen aan. Hier voel je een klein beetje welke krachten er diep onder de grond aan het werk zijn, ik heb voorlopig mijn kracht nodig om de rugzak op zo‘n manier te dragen dat mijn rug, die bij de onderste botten flink geirriteerd is, een beetje heel blijft.
Bij het zien van een enorm lavaveld blijven we geimponeerd op een steen zitten, we eten wat mueslirepen en een dextro, dit uitzicht is niet verkeerd, het is in feite ongelooflijk wat we hier allemaal zien. De bergen hebben alle kleuren en lijken te veranderen van vorm elke keer als je je ogen opslaat. Wolken hangen dreigend boven het grillige dal, een zwarte berg absorbeert elk licht, de grond dampt, de bergen nemen als kameleons steeds weer andere kleuren aan, we vergeten onszelf en worden grote ogen die gretig alles in zich opnemen om het voor altijd te bewaren
We dalen af als in een sage, via een kronkelend pad door het lavaveld komen we bij Landmannalaugar. Een hut, een kampeerveldje en een warmwaterbron waar je in kunt baden. We worden opgewacht door een dikke Amerikaan, op een wandelstok steunend staat hij voor de hut alsof hij de eigenaar is van het hele gebied. We praten met hem, Charles klinkt redelijk enthousiast, ik heb de pest in; ik ben niet die rotafstand komen lopen om hier met een dikke zelfingenomen Amerikaan te staan praten! Ik heb een hekel aan die dikzak, ik wil zijn verhalen niet horen en ik wil hem nog minder vertellen!
We zetten de tent op en gaan in de warme keuken eten, we drinken liters thee en natuurlijk zijn we niet alleen. Er is een Duitser- hoe kan het ook anders - die met ons in gesprek wil raken, ook hij komt uit Berlijn. Wegens gecompliceerde kruisbandscheuringen kan hij niet de bergen in lopen, hoewel hij een poging heeft gewaagd. Charles staat een operatie aan de kruisband te wachten, ook hij heeft last gehad van de knie tijdens het lopen, maar heeft doorgebeten. De Duitser vertelt dat Duitsland door is naar de kwartfinale. Ik zeg hem dat hij mijn schilderijen moet gaan bekijken bij Paula als hij tijd heeft.
(foto)
(15 juni)