13 juni
De routine van de ochtend; eten, spullen inpakken, je klaarmaken voor weer een dag pompelen. Het op gang komen en opgenomen worden in de oneindigheid van het landschap. Weer is het een woestijnomgeving, zwarte steen en stof, zover het oog reikt. Af en toe steekt er een groengekleurde berg boven de zwarte zee uit. We maken loopshots met de videocamera. Het licht rolt als een golf over de glooiing onder onze voeten.
De dagen beginnen in een ritme te vallen; lopen, drinken, lopen, rusten, lopen, drinken, eten, plek voor de tent zoeken of een hut zien te bereiken. Aan het landschap zijn we ondertussen gewend, het heeft een maat gekregen, de afstand kun je meten in loopuren. Nog steeds ligt aan onze rechterkant de gletsjer, we lopen er al drie dagen omheen. Bij elke stap laten we een stofwolk opwaaien, je voelt dat de wind die van de gletsjer afkomt koud is als bij het openen van een ijskast. In de verte steken zandwervelingen licht af tegen de donkere silhouetten van de bergen.
We zien twee mensen naderen, klein als speelgoedfiguurtjes. We begroeten elkaar in het Engels, de man ziet er Amerikaans uit, de vrouw heeft wel een erg Hollands gezichtje, het blijken dus Nederlanders. Uitgerekend hier, maar we hadden het kunnen weten, Nederlanders en Duitsers zitten overal, vooral als er gekampeerd moet worden zitten de Hollanders op de eerste rang. We wisselen wat bijzonderheden uit over het gebied, er staat ons weer een rivieroversteek te wachten. We lopen verder over een jeeptrack, dit is niet echt geweldig, wat met de jeep vijf minuten is, wordt te voet met bepakking een weg waar geen einde aankomt. Eindelijk bereiken we de rivier, die nu op routine doorgeknalt wordt, al kermt Charles het weer uit, hij schijnt echt een niet te verbijten pijn te voelen in het snijdende water.
We drinken soep in een verlaten hut, en bestuderen de route, ons eindpunt van vandaag zal een hut aan een groot meer zijn. We zijn redelijk moe, maar zeker niet uitgeput, ook onze lichamen raken gewend aan het dagritme. We praten wat en stapelen de cliche‘s op elkaar, van "goeie biening," "possible-yes, advisable-no" tot "dit is weer die lekkere dansplaat." Ze houden ons op de been.
Het landschap is vriendelijker geworden, meer groen, gras en sappig mos onder de voeten is toch lekkerder dan zwarte stof en kleurloze rotsen. Ik houd van groen, het doet me denken aan Lapland, aan de bergen van Zweden en Noorwegen, dit stuk. Na weer een rivieroversteek zien we het meer liggen met de hutjes, de zon brand op onze gezichten. Achter ons de groene bergen, half met sneeuw bedekt, de geur van nat mos en stromend water, voor ons het verblindende meer. Bij de hutten gaan we een tijdje uit de wind liggen zonnebaden. We sluimeren, met evenveel gemak zouden we op het strand aan de Middellandse Zee gelegen kunnen hebben, met het blauwe water, het witte zand en de dames met zongebruinde lijven geperst in te kleine felgekleurde bikini‘s. Een typisch IJslands piepende vogel brengt ons terug bij de houten hutjes, uit een hut komt een geur of er twintig lijken liggen te rotten. Charles weet met zijn zakmes een gesloten hut open te krijgen, het is een luxe kleine woning, schoon en netjes, compleet met een spel kaarten en petroleumlampen.
Het meer is stil gaan liggen als een spiegel, de piramidevormige vulkaan aan de overkant wordt perfect weerspiegeld. Ik film de gigantische spiegel en roep dat het kunst is. Na een tijdje weet je niet meer wat je ziet, het werkt hallucinerend, ik verdwijn met mijn concentratie in de lijn die het panorama doorsnijdt, zen of zoiets.
We toepen tot we erbij neervallen, ik weet geen enkel potje te winnen, kaartspelen heb ik nooit echt zien zitten, sowieso alle spelletjes waar de factor geluk een grote rol in speelt vind ik niks aan. In een klein schetsboekje maak ik tekeningen van het meer met de bergen.
(foto)
(14 juni)