11 juni
De morgen brengt stilte, de wind is gaan liggen, de hut is leeg, en het duurt even voor ik besef dat we op een besneeuwde berg in IJsland liggen. We smelten sneeuw, drinken thee en eten cruesli in warme melk. Mijn lijf lijkt zich hersteld te hebben van de slijtageslag van gisteren, alleen de rug voelt aan als een houten plank. We praten wat en probren de situatie te relativeren, wat niet echt lukt trouwens. We moeten wennen aan onze lichamen en aan elkaar en aan de rugzak die nu zijn ware gewicht heeft gekregen. We pakken in en zetten ons in beweging. Vandaag lopen we tussen Myrdalsjokull en de kleinere Eyjafjallajokull door. De ijskappen, de sneeuwvlaktes en -kommen, een bevroren meer, het is wit en grijs. Af en toe roepen we iets naar elkaar en doorbreken daarmee de onwerkelijke stilte die hier heerst, onze stappen in de zachte sneeuw en het praten, alles is rustig. De rugzak begint een onderdeel van mijn lichaam te worden.
We drinken warme thee en eten een mueslireep. De wanhoop van gisteren is verdwenen. De gletsjer ligt als een koude tempel naast ons. Na een klimmetje strekt een Da Vinci-achtig landschap voor ons uit, puntige bergen, een kronkelende rivier compleet met het atmosferisch perspectief. Ik ski op mijn schoenen van de steile sneeuwhellingen af. Charles loopt achter me, we hebben afgesproken IJsland van zuid naar noord te doorkruisen, gisteravond zag ik dat absoluut niet meer zitten, nu schijnt de zon en is het windstil, de rugzak is verdraagbaar en mijn benen doen geen pijn, mijn gedachten kunnen afdwalen, ik heb niet meer alle energie van het lichaam nodig om te bewegen, zo kan ik het wel een tijdje volhouden.
We bereiken het dal van Thorsmork, waar vakantiehutjes liggen en een paar campers staan. Een Duits paar vraagt ons over de route naar Skogar. We antwoorden met tegenzin en gaan verderop in de zon liggen. Met de ogen dicht en de warmte in het gezicht bevinden we ons ver weg van waar we liggen.
Er wacht een rivieroversteek, het water is kolkend grijs en vertakt zich in meerdere stromen. Ik zie het niet zitten, de rivier lijkt door mijn benen te willen snijden, uiteindelijk knal ik toch de resterende stromen over, het water tot aan de liezen. Charles schreeuwt het uit, hij kan absoluut niet tegen de kou of tenminste zijn botten niet. Hij tiert en vloekt.
We klimmen uit het dal en na een overweldigend uitzicht op een immense rivierdelta lopen we een tijd beschut door een klein bos. De bomen brengen rust tot weer een snelstromende rivier ons pad kruist. We hebben niet veel zin in weer een oversteek, na een uitvoerige bestudering van de kaart en de omgeving beseffen we dat we toch de rivier over moeten. Het is al laat dus we besluiten het uit te stellen tot morgen en het tentje op te zetten tussen wat waarschijnlijk de laatste bomen die we tegenkomen zijn. Het is een met zacht gras begroeide heuvel waar de uitgedroogde berken als sprokkelhout tegenaanliggen. Een ideale kampeerplek, een Marlboro-reclame of een reclame voor sterke koffie zou zomaar hier opgenomen kunnen worden, zeker als Charles met behulp van de licht ontvlambare Colemanfuel een kampvuurtje aan weet te leggen. "Geef mij maar Rosta, koffie die staat , smaak die stevig is..." gezongen met de Lee Towers allure. Met de pasta van Knorr wat pinda‘s en een kopje thee erbij is dit geen verkeerde plek. In de verte het ruisen van de rivier in onze verstedelijkte geesten onbewust in verband gebracht met de autosnelwegen van Nederland, dichtbij het heldere fluiten van onzichtbare vogels.
(foto)
(12 juni)