10 juni

De ochtend is zo licht als de rusteloze nacht. Bij het inpakken trek ik een band van de rugzak stuk, het ding is versleten dat wist ik, maar dit is niet gunstig; met een paar veiligheidspelden en wat sporttape verhelp ik het euvel. We missen de vroege bus naar Skogar en moeten de volgende nemen, die vertrekt pas laat in de middag. We benutten de tijd om stafkaarten te kopen in een shoppingmall, we zien nog een paar flitsen van Belgie-Tunesie, de Belgen spelen moeizaam met een zwoegende Wilmots als sterspeler, ik kan me niet voorstellen dat ze ver komen dit WK. De stippellijnen, kromme lijnen, hoogtelijnen en witte vlekken op de kaarten zijn vooralsnog te abstract om het rare fantasiebeeld van zwarte vlaktes onderbroken door vulkanen als puisten in een donker pubergezicht dat ik voor me zie om te vormen tot een landschap waar je doorheen kunt wandelen. Alle vrouwen zijn blond, nee ze zijn wit, hun haren zijn wit als sneeuw, met de donkerblauwe ogen ver uit elkaar en hun fantastische kaaklijn en hun strakke figuurtjes zijn ze levende jongensdromen. Hun stemmen zijn vrolijk en als ze niet spreken bereiken ze een ijselijke schoonheid. Zo lopen we door de winkelstraat met hippe modewinkels en gestroomlijnde bars met Wallpaper-interieur. Ik trouw een blonde vrouw, laat me naturaliseren tot IJslander... We drinken melk en thee en kijken voetbal in een cafe waar de bediening erg goed is: goeie biening. Portugal-Polen is geen beste wedstrijd, Figo speelt dramatisch op een aardige actie na, hij ligt constant op de grond en kijkt daarbij verongelijkt naar alles en iedereen, hij kan niet eens in de schaduw staan van de echte groten zoals Zidane of zelfs Beckham.

De bus vertrekt en al snel rijden we door het vulkanische landschap naar de zuidelijke ringweg. IJslandse muziek klinkt door de speakertjes, we glijden of hobbelen over de wegen, de chauffeur zegt af en toe iets over de omgeving of is het een bandje? Het maakt niet veel uit, luisteren doen we toch niet. We naderen ons beginpunt Skogar, ik probeer wat te filmen, in de verte duikt de vulkaan Hekla op, hier en daar liggen huizen, soms stopt de bus bij een klein dorpje, standaard bestaand uit een tankstation, een supermarkt, een soort snackbar en een videotheek. Mensen stappen uit, praten wat, mensen stappen in, meisjes alleen, een oudere vrouw, rugzakparen, een jongen met walkman, mannen met visspullen.
Skogafoss is een zeventig meter hoge waterval, we zien hem van veraf de berg af storten, een indrukwekkend gezicht. Vlak voor je het veld betreedt voel je een trillende spanning, een spanning die je oppept en tegelijkertijd het gevolg is van twijfel, van een lichte angst misschien, is de vorm er? Ik voel nu hetzelfde, de bergen, de kracht, het geweld van de natuur, het geraas van de massa water, de macht. Het gaat beginnen. Dit is het.

Overmoedig beklimmen we de steile helling en zien het water de diepte instorten, de rugzak voelt zwaar aan, maar onze lichamen zijn opgepompt door de opwinding en lijken zich niet te willen laten afmatten door wat gewicht aan de schouders. In het zuiden de oceaan waar de rivier naartoe gezogen wordt. De beklimming leidt langs een adembenemende aaneenschakeling van watervallen en stroomversnellingen. Als je te lang kijkt in het witte geweld van het water krijg je de neiging er zelf in te springen en verzwolgen te worden door de onvermijdelijke machten van de natuur. Het is laat maar licht, we gloeien en lijken niet kapot te kunnen gaan, er steekt een wind op. Schapen rennen weg. Het pad wordt steiler en we voelen ons klimgeiten met rugzakken om. Via een loopbrug over de woeste rivier bereiken we een jeeptrack, de wind wakkert aan tot een kleine storm. Ingepakt in de Northface jas met het hoofd voorovergebogen vechten we ons een weg omhoog door modder die gaandeweg overgaat in zompige sneeuwvelden. Het lijkt erop dat het gedaan is met het onvermoeibare lichaam, ik zie slechts de bodem waar we doorheen ploeteren, de rugzak is van lood geworden en de wind doet verwoede pogingen ons terug te werpen naar het land van de luxe, en dat is ook eigenlijk precies wat ik op dit moment wil; warme thee, een zakje pinda‘s en de afstandbediening van de tv bij de hand liggend op een comfortabele bank.

Charles is verdwenen ergens in mijn ooghoek, de omstandigheden hebben ons uitelkaar geslagen, af en toe kijk ik om en zie hem zwoegen zoals mezelf. We strompelen voort. Het kan niet ver meer zijn tot de eerste hut, waar warmte en rust op ons liggen te wachten. Op elke bobbel in de weg kijk ik hoopvol omhoog, geen hut te bekennen. Het dubbele stippellijntje van de kaart is verworden tot slopende eindeloos lijkende kilometers op de berg. Het is een martelgang, ik kan me niet herinneren ooit zo stuk te hebben gezeten; ik kan me nu pas voorstellen waarom wielrenners tijdens een zware Alpenrit op hun gemak in de bus naar boven rijden. Dit is gekkenwerk, ik probeer te denken, maar waarom? Het heeft geen enkele zin, we moeten simpelweg de hut halen. Eindelijk duikt er een rood vlak in de sneeuw op, ik vind ergens onder in mijn lijf nog wat energie en pompel het laatste stuk door.

In de hut plof ik neer op een houten bankje, het is een verademing de wind buiten tegen de golfplaten te horen beuken en niet meer tegen mijn tengere lijf. Ik ben kapot en schreeuw keihard fucking hell, waarom weet ik niet, maar mijn murw gebeukte geest weet niets anders uit te stoten. Nu pas merk ik dat er boven ander mensen liggen te slapen, ik besef niet dat dit wel een hele vreemde entree moet zijn, het kan me niet schelen. Ik voel iets van kwaadheid omdat we zo gek zijn dit te doen, onszelf af te matten, af te zien tot we er bij neervallen. Charles komt binnen en valt ook op een bankje neer. Hij sloopt daarbij wat pannen en bestek, maar is ook te vermoeid om zich daar druk over te maken. We spreken niet, eten pinda‘s en proberen weer een beetje energie in onze onderkoelde lijven te krijgen. De mensen van boven komen poolshoogte nemen, het is een man met lange blonde haren en verweerd gezicht en een meisje met een oostblokuiterlijk. Ik probeer me te verontschuldigen voor de luidruchtige binnenkomst en Charles voor het gesloopte kookgerei. De man kijkt ons rustig aan en haalt zijn schouders op, dat kan zoveel betekenen als: - maakt niks uit of -laat die jongens maar, het zijn twee halve garen. We gooien wat matrassen op de vloer en wentelen ons in de slaapzakken, die warmte brengen. De tocht is begonnen, maar als er nog meer van zulke dagen komen kunnen ze ons allebei afvoeren naar een psychiatrische inrichting met gesloopte lichamen en verwrongen geesten. In ieder geval neem ik me voor me nooit meer zo kapot te maken.


(foto)

(11 juni)