22 juni
De zon brandt in onze gezichten. De track die we volgen is makkelijk begaanbaar, maar als we bij een T-splitsing linksaf slaan is het ploeteren door mul zand dat uitermate geschikt is voor paarden maar niet voor onze vermoeide jongensbenen.
Charles‘ voeten zijn de laatste twee dagen veranderd in miniatuurlandschappen met kraters en breuklijnen. Flinke blaren dus, maar hij kan nog lopen. Bovendien zien we voor het eerst de oceaan weer, nu dus in het noorden, een strakke blauwe streep. Een teken dat we ons doel bijna bereikt hebben. Voor Charles is het een belangrijke kwestie aan te komen met zicht op de oceaan, ik zie het belang daarvan niet zo in, als we maar lopend aankomen en niet strompelend of met een kapotte rug.
We dalen af naar een groen dal waarin boerderijen en schapen als legoblokjes verspreidt liggen, nu zie je pas echt hoe gigantisch groot een berg is.
Semi-wilde paarden lopen over de weg, huizen zijn bewoond, auto‘s laten een stofwolk achter. Voor mijn gevoel is het nu al afgelopen, al zijn er nog een kleine twintig kilometer te gaan tot aan de ringweg.
We verlagen het tempo en lijken een beetje dromerig te drentelen met de geur van sappig groen gras en een slingerende zilveren rivier in neus en ogen.
Bij een aangeplant dennenbos rusten we en eten we. We liggen een tijdje op een bankje in de zon, het is fijn om de bescherming van bomen om ons heen te voelen, bomen die we zo lang al niet meer gezien hebben.
Rustig, bijna loom gaan we verder. We passeren een mooi wit huis met een groepje bomen ertegenaan geschurkt, als dit huis ergens anders lag, bijvoorbeeld net buiten Amsterdam, dan was het van mij, een soort droomhuis. Bijna worden we overlopen door op hol geslagen paarden, maar net op tijd weten de "cowboys van het noorden" de paarden in toom te houden. Een hond volgt ons een tijdje nieuwsgierig tot hij door zijn baasje wordt teruggefloten. Koeien kijken met hun onschuldige ogen en lopen met ons mee, schapen rennen weg. Het gras is groen en de lucht is blauw, rechts enorme rotswanden, de laatste resten van het gebergte dat we definitief hebben verlaten.
Charles krijgt eindelijk een zender door op zijn radiootje, als ik luister zingt Van Morrison "browneyed girl" voor me. Zolang de muziek in je oren klinkt ben je niet moe, tenminste je voelt niks van het lopen. De zon staat laag in de ogen en reflecteert in een meer. Met de muziek en onze zonnebrillen lijken we nog jaren zo door te kunnen lopen. Speelgoedautootjes rijden in de verte. De ringweg! We hebben het gered en slaan elkaar in de handen. We kijken terug en onze schaduwen lijken tot aan Skogar te willen reiken, zelf lopen we kalm door tot we het harde asfalt onder de voeten voelen.
Dit is het. Dit was het.
Maar niet voor Charles, hij wil met alle geweld de oceaan zien. Op een heuvel hoopt hij een glimp op te vangen van de glinstering van het zoute water. Niets. Hij wil verder. Ik roep dat het gekkenwerk is en weiger nog een meter te lopen. Ook vandaag hebben we weer veertig kilometer afgelegd en ik vind het goed geweest.
Na wat mislukte liftpogingen staan we besluitloos op de zwarte weg met de harde witte strepen. Charles wil naar Blonduos. Ik niet perse. We besluiten aan te bellen bij een boerderij, een hond komt ons nederig begroeten, in eerste instantie lijkt er niemand thuis te zijn. Ik probeer een andere deur. Een oude man in een smoezelig wit onderhemd en met halfopenbroek doet verward open. Hij kijkt vrij nors, ik verontschuldig me en vraag of hij ons naar Blonduos wil brengen. Hij verstaat noch spreekt een woord Engels, toch lijkt hij me te begrijpen, wat eerst nors leek blijkt in feite heel sympathiek en behulpzaam te zijn. Met handen en voeten proberen we elkaar te begrijpen, hij verdwijnt naar binnen, en belt iemand. Dan komt hij terug en gebaart ons binnen te komen, hij maakt thee en overlaadt de tafel met koekjes die hij ons al schuddend aan de verpakking aanbiedt. Ondertussen mompelt hij steeds "jow" "jow", hij vertelt iets , we verstaan er werkelijk helemaal niets van, maar uit alles blijkt dat hij het in ieder geval niet slecht met ons voor heeft.
Al snel verschijnt een vrouw die een beetje op mijn vroegere buurvrouw lijkt met haar dochter. Ze spreken wel een beetje Engels en de oude man legt nog eens uit wat we willen. De dochter is een meisje van dertien met asblonde haren en donkere ogen, ze vindt het volgens mij wel leuk om Europese jongens tegen te komen. Ze lijken te overleggen en af en toe zeggen we wat, van een echt gesprek is geen sprake, we hopen dat ze ons naar Blonduos willen brengen en gedragen ons als ideale schoonzonen. De oude man mompelt zijn "jow" en schudt nog eens aan het pakje met koekjes. De vrouw zal ons brengen, we zijn opgelucht. We nemen afscheid van de vriendelijke oude man en stappen achterin de auto.
De zestien kilometer naar Blonduos zijn snel afgelegd. We bedanken de vrouw en haar dochter, ze hebben ons bij een camping afgezet waar we meteen de tent opzetten. Het is koud. We lopen wat rond door het stadje en zien de plaatselijke jeugd stapvoets rondjes rijden in hun auto‘s, dit blijkt hun manier van uitgaan op zaterdagavond te zijn. We lachen erom en vragen aan wat meisjes die in zo‘n auto rondrijden of er ook ergens een cafe is. Ja die is er en ze wijzen naar een blauw huis, zelf zijn ze te jong om er binnen te mogen.
In het cafe is het rustig, er is wel goeie biening. We bestellen een soort IJslandse Irish Coffee. Al snel loopt het lokaal vol met jonge jongens die al in een behoorlijk bezopen toestand verkeren. Ze zeggen dat Zuid-Korea heeft gewonnen van Spanje, verder schreeuwen ze voornamelijk hoe klote het allemaal wel niet is in dit dorp. Ondertussen zijn er ook dames binnengekomen en tegenover ons zitten opeens twee rare mannen, een met cowboyhoed, ze zijn ver heen en lullen erg slap, wij vinden het wel vermakelijk en drinken nog zo‘n drankje van net en ook een biertje. Het wordt niet donker maar dat wisten we al, nu echter zien we het als we om vier uur nog in het cafe zitten. Er blijkt ook een Portugees te zijn die hier als kok werkt, we vragen hem hoe hij in godsnaam hier terecht is gekomen, hij weet het zelf ook niet. De man met cowboyhoed roept dat hij ons morgen een rondrit gaat geven langs de kust, het zal wel denken we en de goeie biening zegt dat ze gaan sluiten, we betalen en zijn omgerekend honderd piek kwijt.
Op straat denken we dat we voor iedereen betaald hebben of de drankjes waren vrij prijzig. We rollen in de slaapzakken en lachen nog na om de bezopen bende in het cafe.
(foto)
(23 juni)