20 juni

Gesterkt door de hitte die nog steeds in onze lichamen lijkt te zitten gaan we weer op weg. We lopen weer over de autobaan, maar nu met een pittig tempo, na twee en een half uur bereiken we de rode noodhut op 18 km van Hrevavellir. Ik voel niet echt een vermoeidheid en zonder die verdomde strippen gaat het ook beter met mijn rug. Ook Charles is nog redelijk fit dus we besluiten gewoon door te lopen.

Het gaat in een soort draftempo verder. De omgeving is niet bijster geweldig te noemen, een vlakte van donker zand en een weg die zich eindeloos rekt. Af en toe crosst een jeep voorbij. We letten er al niet meer op, we lijken in een trance te zitten. We praten wel, over Quick, de trainers, maar lijken dit onbewust te doen. Onze lichamen zijn getransformeerd tot loopmachines, uiterst zuinige apparaten die met de minimale brandstof maximale afstanden weten af te leggen. Langzaam, bijna onmerkbaar zijn die machines naar de uitputting toe aan het werken.

Na een korte pauze zien we al snel de hut liggen die we als einddoel van vandaag bepaald hadden. Ik schat dat het nog een kilometer of twee drie tot de hut is. We lopen en we lopen. We blijven lopen. De hut blijft echter onbereikbaar. De weg lijkt zich honderden kilometers te rekken, een vrachtwagen aan het einde van ons gezichtsveld doet er uren over om tot bij ons te geraken. Wij zullen er jaren over gaan doen om in de buurt van te hut te komen. Afstanden lijken zich kwadratisch te vermenigvuldigen, we zijn aan het krimpen, we zijn kleine mannetjes, insecten op de brede weg naar de hel, want zo voelt het aan. Het is een martelgang, waar geen einde aan komt.

Ondanks alles bereiken we toch de hut. Door de ramen zien we een vrouw met een naaimachine gordijnen verstellen. Te moe om nog een stap te zetten of een woord uit de mond te persen, weten we duidelijk te maken dat we deze nacht in het huis willen blijven slapen. De vrouw zegt dat de hut eigenlijk niet open is, maar ze ziet onze afgepeigerde gezichten en maakt een kamer voor ons klaar. Bij haar is een man met hetzelfde uiterlijk als de werklui die we zagen in Hrevavellir. Hij grijnst ons toe. We hebben veertig kilometer afgelegd en kunnen het zelf niet geloven. Dit is sloopwerk. Nooit heb ik last gehad van kramp in mijn benen, maar nu voel ik de spieren in mijn kuiten verharden en krampachtige vormen aannemen. In feite is gekkenwerk, iets voor waanzinnigen wat we gedaan hebben.

Muziek klinkt uit een transistor, het is lang geleden dat we muziek gehoord hebben. We ervaren het als erg luukse. We eten en drinken thee, dan kruipen we kapot in bed.


(foto)

(21 juni)