19 juni
De onafgebroken ruis van de lucht zit voorgoed in onze oren, flink ingepakt vervolgen we onze weg, al lijkt het erop dat de wind niet meer zo beukt als de voorgaande dagen. Het eerste stuk gaat aardig, links en rechts van ons de gletsjers. We lopen om de Hrœrfell heen met zijn ijskap die nu volledig zichtbaar is, blootgelegd door een voorzichtig zonnetje. We volgen een rivier die zich door een rotsachtige kloof boort. De verminderde wind geeft ruimte, je kunt nu weer eens aan iets anders denken, of beter: je kunt weer denken en wegdrijven naar andere oorden. Ik bedenk wat ik in Amsterdam ga doen en tegen wie zal ik spelen, Van der Vaart, Witschge?
Nu de wind niet meer de grootste tegenstander is beginnen de pijntjes van het lichaam weer op te spelen. Mijn onderrug is beurs en bij elke stap die ik zet schiet een steeds groter wordende pijnscheut van rug naar bovenbeen. Hoe verder we lopen hoe erger het wordt. Ik probeer een andere houding, doe het rustiger aan. laat Charles ver voor me lopen. Het is voor het eerst dat ik Charles als en klein poppetje in het landschap voor me zie. Het is ok zo, maar de wil om door te lopen neemt bij elke stap die ik zet af. Dit gaat zo niet langer, ik ga niet mijn rug kapot lopen. Die moet nog langer mee.
Bij een oude hut waar we uitrusten zeg ik dat ik het op deze manier niet meer zie zitten. Charles zegt dat ik door moet bijten net als hij met zijn knie. Ik zeg dat het gekkenwerk is om jezelf kapot te maken, dat de tocht geen zaak van leven of dood is. We zitten een tijdje te mokken in de hut, uiteindelijk haal ik de aluminiumstrippen uit de rugzak en na een soepje en wat chocolade voel ik me toch weer sterk.
We lopen verder, zonder de strippen gaat het echt een stuk beter, we maken flink tempo en bereiken vrij snel Hveravellir (spreek uit: kweravetlir). Daar is een een weerstation dat trouwens meer weg heeft van een verlaten militaire basis ergens in Siberie. Verderop liggen de hutten en de dampende warmwaterbronnen.
In de hut treffen we drie blonde IJslandse dames aan. Dat is weer eens wat anders dan een beukende wind op je kop. Er ligt ergens een krant, uit foto‘s en onleesbaar IJslands kan ik opmaken dat Zuid-Korea van Italie heeft gewonnen in de achtste finale en dat Duitsland, Engeland en Brazilie ook door zijn, net als Spanje, Frankrijk dus niet en ook geen Argentinie. Dat zijn verrassende berichten, maar ook berichten van heel ver weg. Het WK zie je toch in een ander perspectief als dagenlang de wind met 100 km/uur op je in heeft gebeukt en je voornamelijk zwarte grond voor je ogen hebt gezien.
Gelukkig wacht ons een beloning: een heet bad in de buitenlucht. We dompelen ons onder in het dampende bad dat met gloeiend heet water en koud water op supertemperatuur wordt gebracht en gehouden. In een hoek zit een jongen met een blikje bier in zijn hand. Hij ligt al een tijdje in het water-te zien aan de verhitte kleur van zijn huid. Hij blijkt een van de mannen te zijn die de paardenstallen in de omgeving opknappen, zijn collega‘s (type zeer ruwe bolster maar flinke blanke pit) gooien lachend blikjes bier voor ons in het water. De mannen hebben verweerde koppen en beschikken over een prettige dosis humor, maar alleen in het niet te volgen IJslands. De jongen in het water lacht, wij lachen mee. We drinken het bier waarvan de alcohol direct in de bloedbaan terecht lijkt te komen, in ieder geval voelen we niet alleen de hitte naar onze koppen stijgen. De mannen komen ook nog aanzetten met whisky, die we vriendelijk moeten afslaan, willen we niet bezopen in het bad blijven drijven.
Al met al bevalt Hrevavellir ons erg goed, de zon schijnt en we voelen ons warm, hoewel de buitentemperatuur rond de nul graden ligt. De meisjes zijn opgewonden in hun kamertje, wij gaan na een fikse maaltijd voldaan op onze matrassen liggen.
(foto)
(20 juni)